Verhuur appartement aan studerende kinderen

vrijdag 04/09/2020

Het is een populaire constructie onder ouders van studerende kinderen: je koopt een appartement en verhuurt deze vervolgens aan je kind en enkele medestudenten. Maar wat als het splitsingsreglement kamerverhuur verbiedt? Het Hof Amsterdam heeft onlangs geoordeeld dat dit geen problemen oplevert, omdat er in dit geval geen sprake is van bedrijfsmatige verhuur.

Verhuur aan zoon en studievrienden: niet bedrijfsmatig

In de zaak ging het om een echtpaar dat een appartement heeft gekocht met als doel deze te verhuren aan hun zoon en drie studievrienden. In de huurovereenkomsten is opgenomen dat de huur geldt voor de duur van de studie van hun zoon. Hierna eindigt de huurovereenkomst met de studievrienden en zal het appartement ofwel worden bewoond door de zoon ofwel worden verkocht.

De buurman maakt bezwaar tegen deze verhuur en wijst op een bepaling in de splitsingsakte van de VvE:

"(...) Geen van de privégedeelten mag worden gebruikt als pension- of kamer verhuurbedrijf, bed and breakfast daaronder mede begrepen. (...)".

Naar de opvatting van het Hof ziet deze bepaling op bedrijfsmatige verhuur van het appartement. Daar is in dit geval geen sprake van, zo oordeelt het Hof, gelet op het volgende: 

  • er sprake is van verhuur aan hun eigen zoon en drie studievrienden;
  • voor de duur van de studie van deze zoon;
  • na voltooiing waarvan de huurovereenkomst met zijn studievrienden eindigt; en
  • het appartement daarna hetzij zal worden bewoond door de zoon (met eventuele partner), hetzij zal worden verkocht.

Het Hof concludeert derhalve dat deze situatie niet in strijd is met de splitsingsakte.

Verhuur aan woongroep: wel bedrijfsmatig

Op dezelfde dag heeft het Hof ook uitspraak gedaan in een soortgelijke zaak, maar hier oordeelde het Hof dat er wél sprake is van bedrijfsmatige verhuur en strijd met de splitsingsakte.

In dit geval ging het om verhuur aan een woongroep, bestaande uit vier of vijf studenten als gezamenlijk huurder, op grond van één huurovereenkomst. Op deze manier wordt het appartement volgens het Hof feitelijk kamergewijs aan de man gebracht en geëxploiteerd. In dit geval is er dus wel sprake van bedrijfsmatige verhuur.

Het verschil met de vorige zaak zit hem dus in de wijze waarop het appartement gebruikt wordt, omdat de kamerverhuur in de laatste zaak wel een bedrijfsmatig karakter heeft.

Bron: Hof Amsterdam 12 mei 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1365 en Hof Amsterdam 12 mei 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1357.

Mocht je naar aanleiding van dit artikel nog vragen hebben, neem dan contact op met ons kantoor.